Julian stapte langs me naar binnen alsof hij zich bewust was van elke centimeter ruimte tussen ons.
Niet omdat hij aarzelde.
Meer omdat hij wist dat haast hier alles kapot zou maken.
De deur viel achter hem dicht met hetzelfde zachte klikje als eerder. De kamer voelde ineens kleiner, alsof de muren een fractie dichterbij waren gekomen.
Hij keek rond. Niet overdreven nieuwsgierig, meer alsof hij zich oriënteerde in een ruimte waar hij nog niet wist welke rol hij zou spelen.
“Mooi hotel,” zei hij.
“Het doet zijn best,” zei ik.
Hij knikte langzaam, maar zijn aandacht bleef niet lang bij het interieur. Zijn blik ging even naar mijn schoenen naast het bed, toen naar de spiegel, en uiteindelijk weer naar mij.
Niet snel.
Gewoon… zorgvuldig.
“Je hebt ze uitgedaan,” zei hij.
Ik keek naar mijn hakken en haalde een schouder op.
“Je zou verbaasd zijn hoeveel langer een avond duurt zonder die dingen.”
Hij glimlachte licht.
“Dat geloof ik.”
Ik liep naar het kleine tafeltje bij het raam waar het flesje wijn nog stond. Het glas dat ik uit de minibar had gepakt hield ik even tegen het licht.
“Wil je?” vroeg ik.
Hij kwam een paar stappen dichterbij.
Niet zo dichtbij dat het ongemakkelijk werd. Maar wel dichtbij genoeg dat ik zijn aanwezigheid ineens veel duidelijker voelde. De warmte van iemand die net uit de gang komt. De subtiele geur van zijn cologne die beneden in de bar nog nauwelijks opviel.
“Graag,” zei hij.
Ik schonk de wijn in en gaf hem het glas. Onze vingers raakten elkaar heel even.
Niet lang.
Maar lang genoeg om te merken dat geen van ons tweeën dat per ongeluk vond.
Hij nam een kleine slok en keek me ondertussen aan, alsof hij probeerde te begrijpen of dit moment al ergens heen ging of dat het nog steeds alleen maar een spel was.
“Dus,” zei hij langzaam, “dit is waar het verhaal verdergaat.”
“Verhaal?” vroeg ik.
“De bar voelde als het eerste hoofdstuk,” zei hij. “De lift als een overgang.”
Ik lachte zacht.
“En dit?”
Hij keek om zich heen.
“Dit voelt als het moment waarop iemand besluit of het boek interessant genoeg is om verder te lezen.”
Ik leunde met mijn heup tegen het bureau en nam een slok wijn.
“Dat is een gevaarlijke metafoor,” zei ik.
“Waarom?”
“Omdat sommige boeken beter zijn als je niet weet hoe ze eindigen.”
Hij keek me een paar seconden aan.
Toen zette hij zijn glas neer.
Niet abrupt.
Gewoon alsof hij zijn handen even vrij wilde hebben.
“Mag ik iets zeggen?” vroeg hij.
“Dat doe je al de hele avond.”
Hij glimlachte.
“Je weet precies wat je doet.”
Ik zei niets.
Niet omdat hij ongelijk had.
Maar omdat sommige observaties beter blijven hangen als je ze niet bevestigt.
Hij zette een stap dichterbij.
Niet veel.
Maar genoeg om de afstand tussen ons ineens merkbaar te maken.
Ik voelde hoe mijn adem een fractie veranderde.
“Het interessante,” vervolgde hij rustig, “is dat je het niet gebruikt om indruk te maken.”
“Wat gebruik ik dan?”
“Controle.”
Dat woord bleef even in de kamer hangen.
Niet zwaar.
Maar wel precies.
Ik keek naar hem, naar de manier waarop hij daar stond—recht, ontspannen, maar duidelijk bewust van elke beweging die hij maakte.
“En dat stoort je?” vroeg ik.
Hij schudde zijn hoofd.
“Het tegenovergestelde.”
Er viel een stilte.
Niet de ongemakkelijke soort.
De soort waarin je ineens merkt hoe dicht iemand eigenlijk bij je staat.
Ik voelde zijn blik nog steeds op mij, maar hij keek niet omlaag, niet naar mijn benen, niet naar de lijn van mijn jurk. Alsof hij zichzelf bewust een regel had gegeven en nu besloot die ook echt te volgen.
Dat was misschien wel spannender dan wanneer hij dat niet had gedaan.
Ik zette mijn glas neer naast het zijne.
Nu stonden we allebei zonder iets in onze handen.
“Je hebt beneden iets gezegd,” zei hij.
“Dat gebeurt wel vaker.”
“Over regels.”
Ik knikte langzaam.
Hij keek me nog een moment aan, alsof hij zich afvroeg hoe ver hij kon gaan zonder het moment te breken.
Toen stelde hij de vraag.
Rustig.
Bijna terloops.
“Wat zijn ze?”
“Wat?”
“De regels.”
Ik voelde een glimlach opkomen.
Niet omdat het grappig was.
Maar omdat hij eindelijk de vraag stelde waarvan ik wist dat hij zou komen.
Ik liep een halve stap dichterbij.
Nu was er nog maar weinig ruimte tussen ons over.
“De eerste regel,” zei ik zacht, “is dat niemand haast heeft.”
Hij knikte langzaam.
“Dat kan ik.”
“De tweede,” ging ik verder, “is dat niemand iets doet omdat hij denkt dat het moet.”
Zijn ogen bleven op de mijne.
“Ook dat lukt.”
Ik liet de stilte een seconde duren.
Toen zei ik:
“En de derde regel…”
Ik zag hoe zijn aandacht zich verscherpte. Alsof de hele kamer even wachtte op wat er zou komen.
Ik boog mijn hoofd een klein stukje dichter naar hem toe.
Niet genoeg om hem te raken.
Alleen genoeg dat hij mijn stem net iets zachter moest horen.
“De derde regel,” fluisterde ik, “is dat degene die hem breekt… de volgende zet verliest.”
Zijn blik bleef op de mijne hangen.
Een moment lang zei hij niets.
Toen glimlachte hij langzaam.
“Dat klinkt als een gevaarlijk spel.”
“Misschien,” zei ik.
Hij kwam nog een fractie dichterbij.
Nu voelde ik zijn adem.
Warm.
Rustig.
“En wie begint er dan?” vroeg hij.
Ik keek naar hem.
En precies op dat moment ging mijn telefoon op tafel trillen.
Kort.
Hard.
Onverwacht.
We keken allebei tegelijk naar het scherm.
De naam die erop verscheen liet mijn glimlach verdwijnen.
Julian zag het.
En toen keek hij weer naar mij.
“Probleem?” vroeg hij.
Ik pakte de telefoon op, maar nam nog niet op.
Mijn hart sloeg ineens anders dan een paar seconden geleden.
Niet sneller.
Maar… anders.
Ik keek hem aan.
“Dat,” zei ik langzaam, “hangt ervan af.”
Hij wachtte.
“Waarvan?” vroeg hij.
Ik keek nog één keer naar het scherm.
Toen weer naar hem.
“Of ik hem opneem.”
En met mijn vinger net boven het groene knopje…
Bleef ik een seconde te lang twijfelen.