Storytime: onder het oppervlak deel 3

De kamer rook naar hotel.
Niet naar schoonmaakmiddel of parfum, maar naar dat typische mengsel van tapijt, hout, airconditioning en iets warms dat al jaren in de muren leek te zitten. Alsof hier al duizenden nachten waren doorgebracht en ze allemaal een klein spoor hadden achtergelaten.

Ik zette mijn tas op de stoel bij het raam en liep langzaam verder de kamer in. De deur viel achter me dicht met dat gedempte klikje dat hoteldeuren altijd hebben. Definitief, maar nooit dramatisch.

Even bleef ik gewoon staan.

Op de gang was het stil. Zo stil dat je je bijna kon voorstellen dat er ergens verderop een kraan werd dichtgedraaid of een televisie werd uitgezet. Hotelstilte heeft altijd iets eigenaardigs: het voelt alsof je alleen bent in een gebouw dat vol mensen zit.

Ik liep naar het raam en keek naar beneden. De stad lag er rustig bij, alsof de avond geen haast meer had.

De wijn zat nog half in mijn hoofd. Niet genoeg om me licht te maken, wel genoeg om mijn gedachten zachter te laten bewegen.

Bij het bed gleed ik uit mijn hakken en zette ze naast elkaar op het tapijt. Zwarte lak, nog warm van mijn voeten. Ik liet mijn tenen even in het zachte tapijt zakken en voelde hoe de spanning langzaam uit mijn kuiten trok.

Pas toen merkte ik hoe bewust ik de hele avond had bewogen.

Hoe elke stap, elke draai van mijn heup, elke keer dat ik mijn benen had gekruist een klein beetje onderdeel van dat spel was geweest.

Ik liep naar de spiegel boven het bureau en keek naar mezelf.

De jurk zat nog precies zoals toen ik hem aantrok. Misschien iets zachter nu, alsof de avond er met zijn vingers langs was gegaan. Mijn haar was niet rommelig, maar ook niet meer helemaal zoals aan het begin.

En daaronder: diezelfde kousen.

Ik streek met mijn hand langs mijn been, langzaam, niet om iets te corrigeren maar gewoon om het even te voelen. Nylon heeft een eigen soort gladheid. Niet koud, niet warm, maar precies ertussenin.

De bandjes van de jarretelgordel hielden alles nog steeds op spanning, zoals ze altijd doen.

Praktisch, eigenlijk.
En toch ook opvallend elegant.

Ik glimlachte tegen mijn spiegelbeeld.

“Je hebt jezelf weer eens in iets interessants gemanoeuvreerd,” mompelde ik zacht.

Mijn telefoon lag nog in mijn tas. Ik haalde hem eruit en keek automatisch naar het scherm.

Geen berichten.

Geen meldingen.

Alleen de tijd.

Ik wist niet precies waarom ik dat prettig vond.

Misschien omdat niets van buitenaf deze avond hoefde open te breken.

Ik legde de telefoon weer weg en liep naar het kleine tafeltje bij het raam. De minibar stond ernaast, alsof hij al wist dat hij misschien nog een rol moest spelen.

Ik opende hem.

Een klein flesje rode wijn.

Niet geweldig, maar ook niet erg.

Ik haalde het eruit en draaide het tussen mijn vingers.

Toen klonk er een geluid.

Zacht.

Niet van binnen. Van buiten.

Ik bleef stil staan.

Er is altijd zo’n moment waarop je jezelf eerst afvraagt of je het echt gehoord hebt.

Toen klonk het opnieuw.

Een tik op de deur.

Niet luid. Niet aarzelend.

Precies het soort klopje dat iemand geeft als hij eigenlijk al weet dat hij niet helemaal ongewenst is.

Ik keek naar de deur.

Mijn eerste gedachte was niet wie het was, maar hoe snel hij was.

Ik liep er langzaam naartoe. Niet haastig, niet voorzichtig. Gewoon zoals je loopt als nieuwsgierigheid het wint van twijfel.

Mijn hand lag al op de klink voordat ik echt had besloten dat ik de deur ging openen.

Ik draaide hem een stukje open.

Julian stond in de gang.

Zijn jas had hij uitgedaan. Het overhemd zat nog net zo netjes als beneden, maar zijn houding was anders. Minder afstandelijk. Minder hotelbar.

“Goedenavond,” zei hij.

Ik leunde tegen de deurpost en keek hem aan.

“Dat hangt ervan af,” zei ik.

Hij trok een wenkbrauw op. “Waarvan?”

“Of je dit gepland had.”

Hij keek heel even omlaag en daarna weer naar mij.

“Niet helemaal.”

“Niet helemaal?” herhaalde ik.

“Ik heb mezelf vijf minuten gegeven,” zei hij. “En toen besloot ik dat ik liever spijt heb van iets wat ik wél gedaan heb dan van iets wat ik niet geprobeerd heb.”

Ik keek hem een paar seconden aan zonder iets te zeggen.

Niet omdat ik twijfelde.

Meer omdat ik het moment wilde laten bestaan.

“En wat probeer je precies?” vroeg ik uiteindelijk.

Hij haalde één schouder op. “Uitzoeken of het spel beneden alleen voor de bar was… of voor de hele avond.”

De ganglamp achter hem gaf zijn gezicht een zachte rand van licht. Geen dramatisch effect, gewoon genoeg om te zien dat hij me niet probeerde te overtuigen.

Hij wachtte.

Dat vond ik misschien nog wel het interessantst aan hem.

Hij wachtte echt.

Ik keek naar de gang, naar hem en weer terug naar de kamer achter me.

Toen deed ik de deur een stukje verder open.

Niet helemaal.

Alleen genoeg om duidelijk te maken dat hij niet meer op de gang hoefde te blijven staan.

“Kom binnen,” zei ik.

En terwijl hij langs me liep, voelde ik datzelfde kleine vonkje in mijn buik als beneden in de bar.

Niet omdat er iets groots gebeurde.

Maar omdat ik precies wist dat vanaf dit moment de regels opnieuw geschreven gingen worden.

En dit keer niet alleen door mij.

Plaats een reactie