De hotelbar had precies het soort licht waar je je net iets mooier in voelt dan je eigenlijk van plan was. Warm, zacht, een tikje goud, alsof iemand met opzet de randen van de avond had afgerond. Achter de bar klonk het rustige ritme van glas op glas, een kurk die ergens werd getrokken, een lach die even bleef hangen en daarna oploste in het geroezemoes.
Ik had mezelf wijsgemaakt dat ik hier “gewoon” even een glas wijn kwam drinken. Een momentje voor mezelf, na een lange dag. En eerlijk: dat was ook zo. Alleen had ik, bij het aankleden, een keuze gemaakt die niets met praktisch te maken had.
Niet het jurkje. Niet de hakken.
De kousen.
Echte nylon kousen hebben iets eigenaardigs: ze voelen alsof je er een geheim mee aantrekt. Je ziet ze nauwelijks, zeker niet in dit licht. Je merkt ze vooral. De manier waarop ze net iets strakker om je been liggen. De zachte glans die alleen opvalt als je beweegt. En dat subtiele, bijna ouderwetse idee dat er een systeem onder zit dat alles op zijn plaats houdt.
Ik had de jarretelgordel hoger in mijn taille gedragen, zoals ik altijd doe. Dat is geen romantisch detail, dat is gewoon verstandig—en toch voelde het alsof ik daarmee een soort onzichtbare grens trok. Als iemand naar me keek, zag hij een vrouw in een net jurkje. Ik wist dat er een andere laag was. Een laag die niemand kon zien, maar die mij de hele avond precies wist te vinden.
Ik nam plaats op een Chesterfield die eruitzag alsof hij al honderd avonden had meegemaakt en ze allemaal had onthouden. Leer dat ruikt naar tijd en comfort. Ik liet mijn handtas naast me zakken, alsof ik hier thuishoorde. Alsof dit mijn vaste plek was. Alsof ik elke avond met dezelfde vanzelfsprekendheid een glas rode wijn bestelde.
“Een merlot, graag,” zei ik, en ik deed alsof ik niet zag hoe de bartender even net iets langer keek dan nodig was. Niet opdringerig. Meer nieuwsgierig. Een blik die je net lang genoeg opvangt om te bedenken: oké, vanavond is er iets gaande.
Ik nam de eerste slok en voelde hoe mijn schouders iets zakten. Het was absurd hoe snel je lichaam ontspant als je het toestemming geeft. Ik sloeg mijn benen over elkaar—niet overdreven, niet demonstratief. Gewoon zoals je zit als je je op je gemak voelt.
Alleen wist ik dat het niet “gewoon zitten” was.
Niet als je kousen draagt die op spanning gehouden worden door bandjes die je onder je kleding nauwelijks voelt… tot je ze wél voelt. Niet als je weet dat je met één kleine beweging—een verschuiving van je knie, een lichte draai van je heup—een minieme flits kunt veroorzaken. Niet ordinair. Eerder alsof je per ongeluk een pagina van een boek omdraait en iemand in de kamer ineens vergeet wat hij aan het zeggen was.
Aan de overkant van de bar zat een man alleen. Niet overdreven knap op de manier van tijdschriften, maar wel op de manier van: hij weet wat hij doet. Een nette jas over de stoel, een horloge dat niet om aandacht vroeg, handen die rustig bleven. Hij keek niet constant. Juist niet. Hij keek af en toe, alsof hij zichzelf disciplineerde.
Dat soort discipline is altijd interessant.
Ik zag hem voor de tweede keer opkijken toen ik mijn glas neerzette en mijn voet net iets onder me schoof. Heel klein. Een beweging die niets betekende en toch alles zei. De glans op de kousen ving het licht heel even. De hak tikte zacht tegen de marmeren vloer. Klaar.
Zijn blik bleef iets langer hangen dan de eerste keer.
Ik glimlachte niet. Dat is de truc. Een glimlach maakt iets vriendelijk. Ik wilde dit niet vriendelijk maken. Ik wilde dat het spel bestond, zonder dat iemand het benoemde. Zonder dat iemand de regels uitsprak. Ik nam nog een slok en keek langs hem heen, alsof hij een schilderij was dat toevallig in mijn zicht hing.
Toen hij opstond, deed hij het rustig. Niet haastig, niet alsof hij nerveus was. Hij liep naar de bar, bestelde iets wat ik niet hoorde, en ging twee krukken verderop zitten. Dicht genoeg om het toeval te kunnen noemen, ver genoeg om het niet opdringerig te maken.
“Goede wijn?” vroeg hij na een minuut. Zijn stem was laag, maar niet zwaar. Meer… beheerst.
“Best oké,” zei ik. “Voor een hotelbar.”
Hij lachte kort. “Dat is een zin die alleen iemand zegt die de wereld een beetje kent.”
“Of iemand die vaak in hotelbars eindigt.”
“Ook dat,” zei hij. En toen keek hij me aan, alsof hij een tweede zin overwoog maar besloot hem nog even in zijn zak te houden. “Je lijkt niet iemand die per ongeluk ergens eindigt.”
Ik draaide mijn glas langzaam rond. “En jij lijkt niet iemand die snel conclusies trekt.”
“Dat is waar.” Hij keek even naar mijn hand, naar het glas, en weer terug. “Ik probeer alleen te raden wat het verhaal is.”
“Waarom zou er een verhaal zijn?”
“Omdat je zo zit,” zei hij, bijna terloops. “Alsof je precies weet wat je doet.”
Er zat iets in die zin dat door mijn buik ging als een klein vonkje. Niet omdat het schokkend was, maar omdat het klopte. Ik wist precies wat ik deed. Ik had het alleen nog niet hardop toegegeven.
Ik leunde iets achterover in de Chesterfield en liet mijn rug tegen het leer zakken. “Misschien zit ik gewoon lekker.”
“Misschien.” Hij hield zijn glas stil. “Maar ik denk dat je het leuk vindt dat er gekeken wordt. Niet te veel. Niet door iedereen. Gewoon… door de juiste.”
Ik keek hem nu wél aan. Niet uitdagend, maar open. “En wat is ‘de juiste’?”
Hij haalde één schouder op. “Iemand die het ziet, maar niet meteen claimt. Iemand die begrijpt dat het niet om bloot gaat. Het gaat om…” Hij zocht naar het woord en vond het uiteindelijk in een kleine pauze. “Spanning.”
Ik liet de stilte heel even staan. Ik hield van stilte. Stilte maakt mensen eerlijk.
“Spanning,” herhaalde ik, alsof ik het proefde.
Hij knikte. “Ja.”
Ik zette mijn glas neer en schoof mijn voet een fractie naar voren. Niet veel. Net genoeg om het licht opnieuw te laten vallen op de lijn van mijn been. Geen grote beweging. Geen theater. Alleen een herinnering aan het feit dat ik onder mijn keurige jurk iets draag dat niet voor de buitenwereld bedoeld is.
En dat ik daar zelf over beslis.
Zijn blik ging heel even omlaag en kwam meteen terug. In die beweging zat alles wat ik wilde: controle, respect, een vleugje moeite. Alsof hij zichzelf een regel had gegeven en nu zijn best deed om hem te volgen.
Ik voelde mezelf glimlachen—heel klein, meer in mijn ogen dan om mijn mond. “Je praat er mooi over.”
“Dat is veiliger dan er dom over doen,” zei hij droog.
Ik lachte, echt nu. “Daar heb je een punt.”
“Mag ik je iets vragen?” vroeg hij.
“Dat hangt ervan af.”
“Ben jij iemand die van regels houdt?” Zijn toon was luchtig, maar zijn ogen bleven scherp.
“Regels zijn handig,” zei ik. “Maar ze zijn vooral interessant als je ze bewust kiest.”
Hij keek alsof hij die zin in zijn hoofd opsloeg. “Dat is een goed antwoord.”
“Ik ben goed in antwoorden,” zei ik. “Vragen zijn leuker.”
Hij tikte met zijn vinger tegen zijn glas. “Oké. Dan een vraag die leuker is.” Hij boog iets naar me toe, niet te dichtbij, maar net genoeg om het gesprek een eigen ruimte te geven. “Is dit toeval… of is dit een spel?”
Ik dacht aan de jarretelgordel in mijn taille. Aan de spanning van de kousen. Aan het feit dat ik me de hele avond net iets bewuster had bewogen dan normaal. Aan het gevoel van een geheim dat je nergens hoeft te verstoppen, omdat niemand het ziet—tenzij jij het even laat doorschemeren.
Ik keek hem aan, rustig. “Wat denk jij?”
Hij glimlachte langzaam. “Ik denk dat jij het spel al begon voordat je hier binnenkwam.”
Ik nam mijn glas weer op, draaide het even in mijn hand en voelde hoe warm het werd van mijn vingers. “Misschien,” zei ik, en ik liet het woord hangen als een belofte die nergens op papier stond.
Buiten viel de avond verder in elkaar. Binnen klonk de hotelbar alsof hij alle tijd van de wereld had. En ik? Ik zat daar in een keurige jurk, met een nette wijn, met een glimlach die net niet te lief was.
En onder dat alles: kousen die hun werk deden.
Precies zoals ik het bedoeld had.
Ga verder naar deel 2